Naar inhoud springen

baksel

Uit WikiWoordenboek
  • bak·sel
enkelvoud meervoud
naamwoord baksel baksels
verkleinwoord bakseltje bakseltjes

hetbakselo

  1. datgene wat gebakken is of wordt
    • Zij hield haar baksel goed in de gaten door het raampje van de oven. 
97 %van de Nederlanders;
96 %van de Vlamingen.[1]
  1. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Door archive.org gearchiveerde versie van 21 oktober 2019 “Word Prevalence Values” op ugent.be