baksel

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • bak·sel
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord baksel baksels
verkleinwoord bakseltje bakseltjes

Zelfstandig naamwoord

baksel o

  1. datgene wat gebakken is of wordt
    • Zij hield haar baksel goed in de gaten door het raampje van de oven. 
Vertalingen

Gangbaarheid

98 % van de Nederlanders
97 % van de Vlamingen.

Meer informatie