tas

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • tas
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord tas tassen
verkleinwoord tasje tasjes

Zelfstandig naamwoord

tas v/m

  1. een zak die men meeneemt om er zaken in te bergen die men bij zich wil hebben [3]
  2. (België) een kopje [4]
  3. (techniek)(gereedschap) een stalen blok dat op een aambeeld wordt geplaatst, of in een bankschroef wordt geklemd, om als een klein aambeeld te dienen [5]
    De tas heeft een tap (dikke stift) die in het schroodgat van een aambeeld past, zodat hij niet kan verschuiven.
Hyperoniemen
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Verwante begrippen
Vertalingen

Meer informatie

Werkwoord

vervoeging van
tassen

tas

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van tassen
    Ik tas.
  2. gebiedende wijs van tassen
    Tas!
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van tassen
    Tas je?
Verwijzingen
  1. etymologiebank.nl
  2. etymologiebank.nl
  3. etymologiebank.nl
  4. etymologiebank.nl
  5. etymologiebank.nl


Frans

Uitspraak
enkelvoud meervoud
zonder lidwoord met lidwoord zonder lidwoord met lidwoord
  tas     le tas     tas     les tas  

Zelfstandig naamwoord

tas m

  1. een opeenstapeling of opeenhoping van materiaal, voorwerpen, rommel etc.
  2. (gereedschap) tas, een klein aambeeldje
Verwante begrippen


Friulisch

Zelfstandig naamwoord

tas

  1. (dierkunde) das