weitas

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen


Nederlands

jager met weitas
Uitspraak
Woordafbreking
  • wei·tas
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord weitas weitassen
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

weitas v/m [3]

  1. tas waarin een jager zijn buit stopt
     Wanneer Gori zich weer bij mij voegt, constateer ik dat zijn weitas leeg is. Hij heeft drie konijnen gemist. Hij geeft mij omstandig uitleg, maar feit blijft dat hij drie konijnen gemist heeft.[4]
Synoniemen
Vertalingen

Gangbaarheid

45 % van de Nederlanders;
42 % van de Vlamingen.[5]

Verwijzingen