polstas

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen


Nederlands

van Agt met polstas
Uitspraak
Woordafbreking
  • pols·tas
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord polstas polstassen
verkleinwoord polstasje polstasjes

Zelfstandig naamwoord

polstas v/m

  1. een kleine tas die met een lus om de pols wordt gedragen
    • De man liep met een blindenstok over straat toen hij werd aangesproken door de dader. Ineens voelde het slachtoffer een harde ruk aan zijn pols. De blinde man kwam daarbij ten val. De overvaller ging er met zijn polstas vandoor. Daarin zat onder meer de iPhone van het slachtoffer. [1] 
    • "Op een vakantie in welke stad dan ook gingen wij nooit met een tas of polstasje de straat op. Wel met een grote washand, aan de binnenkant van je pantalon gespeld, met daarin paspoort, rijbewijs, creditcard en wat geld. Ook zelf te maken! Verdeel het geld over twee personen zodat je altijd jezelf kunt redden als je per ongeluk van elkaar gescheiden bent." [2] 
    • Tijdens vakantie in Duitsland, op weg naar Kroatië, wordt het polstasje van Frans gestolen waarin alle papieren en passen waren opgeborgen, een ramp dus! Dat wordt helaas pas opgemerkt als ze voor de grens met Kroatië staan, omdat de één van de ander dacht dat die het tasje wel bij zich zou hebben gestoken. Gevolg: niet Kroatië binnen, maar rechtsomkeert gemaakt. Helaas! Je kunt immers niks anders, maar je vakantie is wél meteen naar de knoppen. [3] 

Gangbaarheid

79 % van de Nederlanders;
54 % van de Vlamingen.


Verwijzingen

  1. De Telegraaf 10 apr. 2013 Blinde man (63) beroofd
  2. De Telegraaf MARJOLEIN SCHIPPER 21 mrt. 2014 Lezersreacties: 'Een gewaarschuwd mens telt voor twee'
  3. De Telegraaf 16 feb. 2015 We don't benefit