stapel

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken
[1] Een stapel boeken.

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • sta·pel
enkelvoud meervoud
naamwoord stapel stapels
verkleinwoord stapeltje stapeltjes

Zelfstandig naamwoord

stapel m

  1. een gestructureerde hoop spullen
    Er ligt een stapel boeken op tafel.
  2. (scheepvaart) de tijdelijke constructie waarop een in aanbouw of reparatie zijnd schip rust
    Het schip zal volgende maand van stapel lopen.
  3. (muziek) een houten stokje ingeklemd tussen het boven- en onderblad van de klankkast van een snaarinstrument
    De plaatsing van de stapel van een viool is van essentieel belang voor de klank van het instrument.
Afgeleide begrippen
Verwante begrippen
Vertalingen

Werkwoord

vervoeging van
stapelen

stapel

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van stapelen
    Ik stapel.
  2. gebiedende wijs van stapelen
    Stapel!
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van stapelen
    Stapel je?