stapel

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
[1] Een stapel boeken.

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • sta·pel
Woordherkomst en -opbouw
  • In de betekenis van ‘hoop’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1046 [1]
enkelvoud meervoud
naamwoord stapel stapels
verkleinwoord stapeltje stapeltjes

Zelfstandig naamwoord

stapel m [2] [3] [4]

  1. een gestructureerde hoop spullen [5]
    • Er ligt een stapel boeken op tafel. 
  2. (scheepvaart) de tijdelijke constructie waarop een in aanbouw of reparatie zijnd schip rust
    • Het schip zal volgende maand van stapel lopen. 
  3. (muziek) een houten stokje ingeklemd tussen het boven- en onderblad van de klankkast van een snaarinstrument
    • De plaatsing van de stapel van een viool is van essentieel belang voor de klank van het instrument. 
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Verwante begrippen
Vertalingen
stellend
onverbogen stapel
verbogen

Bijvoeglijk naamwoord

stapel [6] [7]

  1. alleen predicatief gek, stapelgek
Verwante begrippen
Vertalingen

Werkwoord

vervoeging van
stapelen

stapel

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van stapelen
    • Ik stapel. 
  2. gebiedende wijs van stapelen
    • Stapel! 
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van stapelen
    • Stapel je? 

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders
99 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen