stapel

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken
[1] Een stapel boeken.

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • sta·pel
enkelvoud meervoud
naamwoord stapel stapels
verkleinwoord stapeltje stapeltjes

Zelfstandig naamwoord

stapel m [1] [2] [3]

  1. een gestructureerde hoop spullen [4]
    • Er ligt een stapel boeken op tafel. 
  2. (scheepvaart) de tijdelijke constructie waarop een in aanbouw of reparatie zijnd schip rust
    • Het schip zal volgende maand van stapel lopen. 
  3. (muziek) een houten stokje ingeklemd tussen het boven- en onderblad van de klankkast van een snaarinstrument
    • De plaatsing van de stapel van een viool is van essentieel belang voor de klank van het instrument. 
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Verwante begrippen
Vertalingen
stellend
onverbogen stapel
verbogen

Bijvoeglijk naamwoord

stapel [5] [6]

  1. alleen predicatief gek, stapelgek
Verwante begrippen
Vertalingen

Werkwoord

vervoeging van
stapelen

stapel

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van stapelen
    • Ik stapel. 
  2. gebiedende wijs van stapelen
    • Stapel! 
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van stapelen
    • Stapel je? 

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders
99 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen