hoop

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • hoop
Woordherkomst en -opbouw
1. enkelvoud meervoud
naamwoord hoop hopen
verkleinwoord hoopje hoopjes
2., 3. enkelvoud meervoud
naamwoord hoop
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

hoop m

  1. stapel [3]
    • Op de grote hoop gooien. 
  2. een grote hoeveelheid
    • Een hoop lawaai. 
  3. een verwachting van iets wenselijks [4]
    • Hoop doet leven. 
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Werkwoord

vervoeging van
hopen

hoop

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van hopen
    • Ik hoop. 
  2. gebiedende wijs van hopen
    • Hoop! 
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van hopen
    • Hoop je? 

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders
100 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen