hoop

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • hoop
Woordherkomst en -opbouw
  • In de betekenis van ‘verwachting’ voor het eerst aangetroffen in 1240 [1]
  • [2] [3]
1. enkelvoud meervoud
naamwoord hoop hopen
verkleinwoord hoopje hoopjes
2., 3. enkelvoud meervoud
naamwoord hoop
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

hoop m

  1. stapel [2]
    • Op de grote hoop gooien. 
  2. een grote hoeveelheid
    • Een hoop lawaai. 
     Midden in de nacht schrok ik wakker doordat de deur met een klap opensloeg. Twee jongens sprongen verschrikt de hut in, een hoop commotie veroorzakend.[4]
  3. een verwachting van iets wenselijks [3]
    • Hoop doet leven. 
     Door een kier onder de deur kwamen er steeds sneeuwvlokken naar binnen gewaaid en ik voelde mijn slaapzak langzaam vochtig worden. Bezorgd en koud wikkelde ik mijn regenjas om mijn voeten in de hoop droog te blijven.[4]
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Werkwoord

vervoeging van
hopen

hoop

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van hopen
    • Ik hoop. 
  2. gebiedende wijs van hopen
    • Hoop! 
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van hopen
    • Hoop je? 
     Wat een feest om op deze manier met mijn kinderen op pad te zijn. Het maakt eigenlijk niet zoveel uit wat we doen of waar we naartoe gaan. De natuur in, de stad in, overdag of ’s nachts. Het zijn vaak korte, betaalbare uitjes. Soms bedenk ik wat en soms komen zij zelf met ideeën. Ik hoop dit een leven lang vol te houden.[4]

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders;
100 % van de Vlamingen.[5]

Meer informatie

Verwijzingen