sporttas

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • sport·tas
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord sporttas sporttassen
verkleinwoord sporttasje sporttasjes

Zelfstandig naamwoord

sporttas v/m

  1. tas voor het vervoer van zaken die nodig zijn voor het sporten
    • Afgelopen maandagavond ging het bijna mis op een slecht verlichte rotonde op de Beukelsdijk. Ineens had ik een ventje voor mijn wielen. Hij was een jaar of 9, had een grote sporttas op zijn rug en fietste op een veel te kleine mountainbike zonder verlichting. Ik stond bovenop mijn remmen, het ventje schrok, maar trapte vervolgens gewoon door. Een paar honderd meter verderop heb ik hem klemgereden. Ik vroeg hem om het telefoonnummer van zijn vader of moeder, zodat ik ze kon bellen om te vertellen dat ze hun kind zo de straat niet op kunnen sturen. Wist hij niet uit zijn hoofd, zei hij. Hij kwam van voetbaltraining en was onderweg naar huis. „Zeg maar tegen je ouders dat ze zich beter druk kunnen maken over je fietsverlichting dan over dat mogelijk kankerverwekkende kunstgrasveld waar je op voetbalt!” zei ik tegen hem.[1] 

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
100 % van de Vlamingen.

Verwijzingen

  1. NRC Mirjam de Winter 8 december 2016