Naar inhoud springen

politie

Uit WikiWoordenboek
Politie
  • po·li·tie
enkelvoud meervoud
naamwoord politie -
verkleinwoord - -

depolitiev

  1. (verouderd) bestuur van een stad of staat
  2. (bedrijf) (ordehandhaving) overheidsdienst die belast is met de handhaving van de openbare orde en veiligheid en het opsporen van wetsovertreders
    • De politie stond bij hem op de stoep. 
    • Als je te hard rijdt, krijg je een bekeuring van de politie. 
     'Je bent wie je bent juist door de mensen die je geen blik waardig zou keuren,' had Harold een keer tegen Sarah geschreeuwd toen ze 's nachts niet was thuisgekomen en hij de politie had gebeld.[4]
     De Duitse politie heeft afgelopen weekend een hond gered die door zijn baasje in een garderobelocker van slot Neuschwanstein was achtergelaten.[5]
     De politie meldt niet welke straf ze kan krijgen en of ze haar huisdier nog terugkrijgt.[5]
enkelvoud meervoud
naamwoord politie polities
verkleinwoord politietje politietjes

depolitiev/m

  1. (spreektaal) (beroep) ambtenaar bij de politie
    • Die politie stond op de hoek te kijken, maar hij deed verder niets. 
  • De arm der wet
De politie of justitie
100 %van de Nederlanders;
100 %van de Vlamingen.[6]

politie

  1. politie; een overheidsdienst die belast is met de handhaving van de openbare orde en veiligheid en met het opsporen van wetsovertreders

politie

  1. politie; een overheidsdienst die belast is met de handhaving van de openbare orde en veiligheid en met het opsporen van wetsovertreders