diender

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • dien·der
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord diender dienders
verkleinwoord diendertje diendertjes

Zelfstandig naamwoord

diender m

  1. iemand die dient
  2. (beroep) politieagent
    • De diender had zojuist met een collega zijn beschadigde politiewagen bij een schadeherstelbedrijf afgeleverd, toen hij op de Dillenburgstraat betrokken raakte bij een aanrijding, weet Dichtbij.[3] 
Hyponiemen

Gangbaarheid

97 % van de Nederlanders;
81 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen