diender

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
[2] Een diender getekend door Jacob Larwood
(Herman Diederik Johan van Schevichaven)

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • dien·der
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord diender dienders
verkleinwoord diendertje diendertjes

Zelfstandig naamwoord

diender m

  1. (verouderd) iemand die een zuiver ondersteunende taak heeft voor een persoon of instantie met meer aanzien
      Binnen, in de kamer der hoofdlui, hoorde men gedurig de stoppen van de wynflesschen trekken, en de diender der gilde had werk genoeg, om de geledigde glazen vol te houden.[6]
  2. (ordehandhaving) (beroep), licht (verouderd) functionaris die door daadwerkelijk optreden zorgt voor het naleven van wettelijke regels
    • De diender had zojuist met een collega zijn beschadigde politiewagen bij een schadeherstelbedrijf afgeleverd, toen hij op de Dillenburgstraat betrokken raakte bij een aanrijding, weet Dichtbij.[7] 
Synoniemen
Opmerkingen
  • Ook de letterlijke betekenis 2. "politieagent" is in het gewone taalgebruik verouderd, maar wordt nog wel als archaïsme gebruikt: soms om de dienstbaarheid van de politie aan de samenleving te benadrukken, maar vaker schijnbaar respectvol met een ironische ondertoon.
Hyponiemen

Gangbaarheid

95 % van de Nederlanders;
78 % van de Vlamingen.[8]

Meer informatie

Verwijzingen