politiezaak

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • po·li·tie·zaak
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord politiezaak politiezaken
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

politiezaak v/m [1]

  1. een kwestie waar de politie werk van maakt of moet maken
    • Op 8 april 2014 stuurt een eindredacteur van het EO-programma Zo zijn we niet getrouwd een mailtje naar een Eindhovense privédetective. Ze vraagt hem om de antecedenten van twee deelnemers die meedoen aan de pilot. Ruim twee weken later, op 25 april, worden de deelnemers opgezocht in een politiesysteem dat privacygevoelige informatie bevat. Politiemedewerkers mogen hier alleen voor politiezaken gebruik van maken. De eindredacteur vraagt maanden later ook nog informatie over een mogelijke verkrachting door één van de twee deelnemers. De detective zegt dat hij ook dat wel kan leveren, maar dat het „niet gemakkelijk te krijgen en kostbaar is.” [2] 
Verwante begrippen

Gangbaarheid

98 % van de Nederlanders;
99 % van de Vlamingen.[3]

Verwijzingen

  1. Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
  2. NRC Shannon Bakker 4 januari 2017
  3. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be