polis

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • po·lis
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord polis polissen
verkleinwoord polisje polisjes

Zelfstandig naamwoord

polis v/m [1]

  1. schriftelijke vastlegging van een overeenkomst [2]
  2. stad [3]
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Meer informatie

Verwijzingen
  1. Woordenboek der Nederlandse taal
  2. etymologiebank.nl
  3. etymologiebank.nl


Frans

Bijvoeglijk naamwoord

polis

  1. mannelijk meervoud van poli


Maleis

Zelfstandig naamwoord

polis

  1. (overheidsdienst) politie


Papiamento

Zelfstandig naamwoord

polis

  1. (overheidsdienst) politie


Turks

Zelfstandig naamwoord

polis

  1. (overheidsdienst) politie


Zweeds

Uitspraak
Woordafbreking
  • po·lis
Woordherkomst en -opbouw
Naar frequentie 744
  enkelvoud meervoud
onbepaald bepaald onbepaald bepaald
nominatief   polis     polisen     poliser     poliserna  
genitief   polis     polisens     polisers     polisernas  

.

Zelfstandig naamwoord

polis, g

  1. politie (overheidsdienst)
  2. polis, verzekeringspolis
Hyperoniemen
Afgeleide begrippen
Uitdrukkingen en gezegden
  • [1]: förbjuden av polisen
volgens de politieverordening verboden
  • [1]: hemlig polis
geheime politie
  • [1]: kvinnlig polis
agente, politieagente, politievrouw

Zelfstandig naamwoord

polis

  1. genitief onbepaald gemeenschappelijk geslacht enkelvoud van polis

Meer informatie

  • Zie Wikipedia voor meer informatie. (Zweeds)