Naar inhoud springen

koper

Uit WikiWoordenboek
Koper [2]
Periodiek systeem der elementen (nld)
H He
Li Be B C N O F Ne
Na Mg Al Si P S Cl Ar
K Ca Sc Ti V Cr Mn Fe Co Ni Cu Zn Ga Ge As Se Br Kr
Rb Sr Y Zr Nb Mo Tc Ru Rh Pd Ag Cd In Sn Sb Te I Xe
Cs Ba * Hf Ta W Re Os Ir Pt Au Hg Tl Pb Bi Po At Rn
Fr Ra ** Rf Db Sg Bh Hs Mt Ds Rg Cn Nh Fl Mc Lv Ts Og
* La Ce Pr Nd Pm Sm Eu Gd Tb Dy Ho Er Tm Yb Lu
** Ac Th Pa U Np Pu Am Cm Bk Cf Es Fm Md No Lr
  • ko·per
  • Leenwoord uit het Latijn, in de betekenis van ‘metaal’ voor het eerst aangetroffen in 1240 [1]
  • [1] afgeleid van kopen met het achtervoegsel -er.
  • [2] de naam is vermoedelijk een verbastering van "Cyprus".
1 enkelvoud meervoud
naamwoord koper kopers
verkleinwoord
2 enkelvoud meervoud
naamwoord koper
verkleinwoord

koper

  1. m: persoon die koopt
    • Ze konden geen kopers vinden voor hun peperdure huis. 
  2. o: (scheikunde), (element) een scheikundig element met symbool Cu en atoomnummer 29. Het is een roodgeel overgangsmetaal
    • Na het veel duurdere zilver is koper de beste geleider van elektrische stroom en van warmte van alle metalen. 
vervoeging van
koperen

koper

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van koperen
    • Ik koper. 
  2. gebiedende wijs van koperen
    • Koper! 
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van koperen
    • Koper je? 
99 % van de Nederlanders;
100 % van de Vlamingen.[2]