baker

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • ba·ker
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord baker bakers
verkleinwoord bakertje bakertjes

Zelfstandig naamwoord

baker v

  1. (beroep) (geschiedenis) een ongeschoolde vrouw die aan kraamverpleging deelnam
    • Een baker hoorde een ervaren, wat oudere vrouw te zijn. 
Afgeleide begrippen
Verwante begrippen
Vertalingen

Werkwoord

vervoeging van
bakeren

baker

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van bakeren
    • Ik baker. 
  2. gebiedende wijs van bakeren
    • Baker! 
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van bakeren
    • Baker je? 

Gangbaarheid

81 % van de Nederlanders
63 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen

  1. etymologiebank.nl


Engels

Uitspraak
enkelvoud meervoud
baker bakers

Zelfstandig naamwoord

baker

  1. (beroep) bakker


Noors

En baker.
Een bakker.
Uitspraak
Woordafbreking
  • ba·ker
Woordherkomst en -opbouw
  • Afgeleid van het Noorse werkwoord bake met het achtervoegsel -r.

Werkwoord

baker

  1. tegenwoordige tijd van bake
  enkelvoud meervoud
onbepaald bepaald onbepaald bepaald
nominatief   baker     bakeren     bakere     bakerne  
genitief   bakers     bakerens     bakeres     bakernes  

Zelfstandig naamwoord

baker m

  1. (beroep) bakker
Afgeleide begrippen

Zelfstandig naamwoord

baker, mv

  1. onbepaalde vorm nominatief meervoud van bak


Nynorsk

Woordafbreking
  • ba·ker

Werkwoord

baker

  1. tegenwoordige tijd van bake
Schrijfwijzen


Sloveens

Zelfstandig naamwoord

baker m

  1. koper (metaal)
Verbuiging