chloor

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Periodiek systeem der elementen (nld)
H He
Li Be B C N O F Ne
Na Mg Al Si P S Cl Ar
K Ca Sc Ti V Cr Mn Fe Co Ni Cu Zn Ga Ge As Se Br Kr
Rb Sr Y Zr Nb Mo Tc Ru Rh Pd Ag Cd In Sn Sb Te I Xe
Cs Ba * Hf Ta W Re Os Ir Pt Au Hg Tl Pb Bi Po At Rn
Fr Ra ** Rf Db Sg Bh Hs Mt Ds Rg Cn Uut Fl Uup Lv Uus Uuo
* La Ce Pr Nd Pm Sm Eu Gd Tb Dy Ho Er Tm Yb Lu
** Ac Th Pa U Np Pu Am Cm Bk Cf Es Fm Md No Lr
Uitspraak
Woordafbreking
  • chloor
Woordherkomst en -opbouw
  • Afkomstig van het Griekse χλωρος (chloros), dat is te vertalen als geelgroenig.
enkelvoud meervoud
naamwoord chloor -
verkleinwoord - -

Zelfstandig naamwoord

chloor o

  1. (scheikunde), (element) scheikundig element met symbool Cl en atoomnummer 17. Het is een geelgroen halogeen ,dat bij kamertemperatuur gasvormig is
    • Rode ogen na een middagje zwembad worden veroorzaakt door urine, en niet door chloor, schreef Metro. En inderdaad, uit urine ontstaan chemische, irriterende stofjes. Maar: daarvoor heb je óók chloor nodig. Het eerste deel van de stelling klopt dus, het tweede deel niet. We beoordelen de stelling daarom als half waar.[1] 
Verwante begrippen
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Verwante begrippen
Vertalingen

Werkwoord

vervoeging van
chloren

chloor

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van chloren
    • Ik chloor. 
  2. gebiedende wijs van chloren
    • Chloor! 
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van chloren
    • Chloor je? 

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders
99 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen

  1. Anne-Martijn van der Kaaden NRC 23 juni 2015