grasperk

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

kapel op een grasperk
Uitspraak
Woordafbreking
  • gras·perk
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord grasperk grasperken
verkleinwoord grasperkje grasperkjes

Zelfstandig naamwoord

grasperk o [1]

  1. afgegrensd grasveld in tuin of park
    • Vooral met grote verbazing kijkt Johan van der Lee sinds maandagavond naar het grasperkje bij zijn woning in Waspik. Volwassenen van tussen de twintig en veertig jaar oud zijn er voor slechts één ding: het zoeken naar pokéballs, waar pokémon mee te vangen zijn.[2] 
    • Goddank was ik door de aanrijding op een grasperk beland, waardoor de ondergrond daar nog een beetje meegaf. Een paar centimeter terug op het asfalt was dat erger geweest en had ik mijn enkel volgens de doktoren wel kunnen afschrijven.”[3] 
Synoniemen
Vertalingen

Gangbaarheid

97 % van de Nederlanders;
99 % van de Vlamingen.

Verwijzingen

  1. Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
  2. de Telegraaf 13 jul. 2016 Overal beestjes
  3. de Telegraaf EVERT SANTEGOEDS 29 dec. 2015 Heftig motorongeluk Maarten Heijmans