gros

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Jump to search

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • gros
Woordherkomst en -opbouw
  • Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘telwoord: twaalf dozijn’ voor het eerst aangetroffen in 1745 [1]
  • Komt van het Franse grosse, wat weer van het Oudhoogduitse groz (groot) komt.
1 enkelvoud meervoud
naamwoord gros grossen
verkleinwoord grosje grosjes

Zelfstandig naamwoord

gros o

  1. een dozijn dozijnen = 144 stuks
    • Hij verkocht zijn computers bij het gros. 
  2. het merendeel
    • Het gros der mensen vindt dit onaangenaam. 
Verwante begrippen
Anagrammen

Gangbaarheid

97 % van de Nederlanders
93 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen


Frans

Uitspraak
  enkelvoud meervoud
  mannelijk   gros gros
  vrouwelijk   grosse grosses

Bijvoeglijk naamwoord

gros

  1. dik

Zelfstandig naamwoord

gros m

  1. (spreektaal) hoge piet [1]

Verwijzingen