oud
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
- Geluid: oud (hulp, bestand)
- IPA:
- (Noord-Nederland): /ʌʊ̯t/
- (Vlaanderen, Brabant): /ɔʊ̯t/
- (Limburg): /aʊ̯d/
Woordafbreking
- oud
Woordherkomst en -opbouw
- Oorspronkelijk het deelwoord van het Germaanse werkwoord alan, "opgroeien, voeden". Etymologisch verwant met Oudsaksisch en Oudfries ald, Oudhoogduits alt, Oudengels eald, Latijns altus.
| stellend | vergrotend | overtreffend | |
|---|---|---|---|
| onverbogen | oud | ouder | oudst |
| verbogen | oude | oudere | oudste |
| partitief | ouds | ouders | - |
Bijvoeglijk naamwoord
oud
- (van mensen) van hoge leeftijd
- (van voorwerpen) al lange tijd bestaand, versleten
- Die stoel is al heel oud, hij is nog van mijn grootvader geweest.
- de vorige
- Mijn oude fiets heb ik doorverkocht.
Uitdrukkingen en gezegden
- Hoe ouder ... hoe moeilijker.
Vertalingen
1. oud mens, dier
2. oud ding, concept
3. vorige
|
|