boom

Uit WikiWoordenboek

Ga naar: navigatie, zoeken

Inhoud

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • boom
enkelvoud meervoud
naamwoord boom bomen
verkleinwoord boompje boompjes

Zelfstandig naamwoord

boom m

  1. (plantkunde) een meerjarige plant die als karakteristiek heeft dat hij één of meer verhoute stammen heeft.
  2. een stok of buis waarmee een microfoon op de optimale locatie kan worden gehouden.
  3. (zeilvaart) rondhout aan de onderkant van een langsgetuigd zeil, anders dan de giek.
  4. (scheepvaart) een stok waarmee een schip voortbewogen kan worden.
Synoniemen
Verwante begrippen
Spreekwoorden
Vertalingen

Meer informatie


Engels

enkelvoud meervoud
boom booms

Zelfstandig naamwoord

boom

  1. (zeilvaart) giek, hout of buis aan de onderkant van het grootzeil
  2. boem, geluid van een explosie.
  3. (economie) periode van hoogtij in de economie, sterke hoogconjunctuur.
  4. stok of buis waarmee een microfoon op de optimale locatie kan worden gehouden.
Persoonlijke instellingen