boom

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken
[1]: Een boom

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • boom
Woordherkomst en -opbouw
  • afkomstig van:
Middelnederlands: boom
Oudnederlands: bōm, boum
Germaans: *baumaz
Indo-Europees: *bhū-
  • Verwant in Germaans:
Engels: beam (Angelsaksisch: bēam), Duits: Baum, (Oudhoogduits: boum), Fries: beam, bame (Oudfries: bām)
enkelvoud meervoud
naamwoord boom bomen
verkleinwoord boompje boompjes

Zelfstandig naamwoord

boom m

  1. (plantkunde) een meerjarige plant die als karakteristiek heeft dat hij één of meer verhoute stammen heeft
  2. een stok of buis waarmee een microfoon op de optimale locatie kan worden gehouden
  3. (zeilvaart) rondhout aan de onderkant van een langsgetuigd zeil, anders dan de giek
  4. (scheepvaart) een stok waarmee een schip voortbewogen kan worden
  5. (bouwkunde) zijkant van een trap of ladder waar de treden of sporten aan bevestigd zijn
  6. (informatica) een abstracte datastructuur gelijkend op [1]
  7. (informeel) lang gesprek
    Een boom over iets opzetten.
Synoniemen
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Verwante begrippen
Spreekwoorden
Vertalingen

Werkwoord

vervoeging van
bomen

boom

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van bomen
    Ik boom.
  2. gebiedende wijs van bomen
    Boom!
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van bomen
    Boom je?

Meer informatie


Afrikaans

Uitspraak
  • IPA: /buə̯m/

Zelfstandig naamwoord

boom

  1. boom


Engels

enkelvoud meervoud
boom booms

Zelfstandig naamwoord

boom

  1. (zeilvaart) giek, hout of buis aan de onderkant van het grootzeil
  2. boem, geluid van een explosie.
  3. (economie) periode van hoogtij in de economie, sterke hoogconjunctuur.
  4. stok of buis waarmee een microfoon op de optimale locatie kan worden gehouden.