boom
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
Woordafbreking
- boom
Woordherkomst en -opbouw
|
|
| enkelvoud | meervoud | |
|---|---|---|
| naamwoord | boom | bomen |
| verkleinwoord | boompje | boompjes |
Zelfstandig naamwoord
boom m
- (plantkunde) een meerjarige plant die als karakteristiek heeft dat hij één of meer verhoute stammen heeft
- een stok of buis waarmee een microfoon op de optimale locatie kan worden gehouden
- (zeilvaart) rondhout aan de onderkant van een langsgetuigd zeil, anders dan de giek
- (scheepvaart) een stok waarmee een schip voortbewogen kan worden
- (bouwkunde) zijkant van een trap of ladder waar de treden of sporten aan bevestigd zijn
- (informatica) een abstracte datastructuur gelijkend op [1]
- (informeel) lang gesprek
- Een boom over iets opzetten.
Synoniemen
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Verwante begrippen
- [1] plant, stam, boomtop, kerstboom, boomkap
- [2] microfoon
- [3] rondhout, langsgetuigd, zeil, giek
- [4] schip
Spreekwoorden
- hoge bomen vangen veel wind, een appel valt niet ver van de boom, een boom van een vent, de kat uit de boom kijken, hij kan me de boom in, aan de vruchten kent men de boom, door de bomen het bos niet meer zien
Vertalingen
1. Meerjarige plant met houten stam
4. Vaarboom
Werkwoord
| vervoeging van |
|---|
| bomen |
boom
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van bomen
- Ik boom.
- gebiedende wijs van bomen
- Boom!
- (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van bomen
- Boom je?
Meer informatie
- Zie Wikipedia voor meer informatie.
Afrikaans
Uitspraak
- IPA: /buə̯m/
Zelfstandig naamwoord
boom
Engels
| enkelvoud | meervoud |
|---|---|
| boom | booms |
Zelfstandig naamwoord
boom
- (zeilvaart) giek, hout of buis aan de onderkant van het grootzeil
- boem, geluid van een explosie.
- (economie) periode van hoogtij in de economie, sterke hoogconjunctuur.
- stok of buis waarmee een microfoon op de optimale locatie kan worden gehouden.
Categorieën:
- Woorden in het Nederlands
- Zelfstandig naamwoord in het Nederlands
- Plantkunde in het Nederlands
- Scheepvaart in het Nederlands
- Bouwkunde in het Nederlands
- Informatica in het Nederlands
- Informeel in het Nederlands
- Werkwoordsvorm in het Nederlands
- Woorden in het Afrikaans
- Zelfstandig naamwoord in het Afrikaans
- Woorden in het Engels
- Zelfstandig naamwoord in het Engels
- Economie in het Engels