been
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
Woordafbreking
- been
| 1 | enkelvoud | meervoud |
|---|---|---|
| naamwoord | been | benen |
| verkleinwoord | beentje | beentjes |
| 2 | enkelvoud | meervoud |
|---|---|---|
| naamwoord | been | beenderen |
| verkleinwoord | (botje) | (botjes) |
Zelfstandig naamwoord
been o
- ledemaat waarop wordt gestaan en waarmee wordt gelopen
- bot, zelfstandig onderdeel van een geraamte
- (anatomie) stof waaruit benen/botten bestaan
Synoniemen
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
- beenkap, beenmerg, beenmergtransplantatie, beentransplantatie, beenvis, beenvlies, beenvliesontsteking, dijbeentransplantatie, kraakbeenvis
Spreekwoorden
Dat is een blok aan mijn been.
- Dat maakt het me lastig.
De benen nemen.
- Gauw weglopen, vluchten.
Het zijn sterke benen die weelde kunnen dragen.
- In tijden van weelde gaat men zich gemakkelijk te buiten.
Iemand op de been houden.
- Iemand (figuurlijk - financieel, etc.) ondersteunen.
Iemand op het verkeerde been zetten.
- Iemand bewust misleiden.
Met beide benen op de grond staan.
- Realistisch zijn.
Met een been in het graf staan.
- Afgeleefd zijn, op sterven na dood zijn.
Met het verkeerde been uit bed gestapt zijn.
- Een slecht humeur hebben.
(Nog) goed ter been zijn.
- (Nog) kwiek zijn.
Op één been kun je niet staan.'
- Schertsend gezegde wanneer iemand een tweede glas (meestal alcoholhoudende drank) wordt aangeboden.
Zich de benen uit het lijf lopen.
- Ergens heel erg veel moeite voor doen.
Vertalingen
1. ledemaat waarop wordt gestaan en waarmee wordt gelopen
|
|
3. stof waaruit benen/botten bestaan
Werkwoord
| vervoeging van |
|---|
| benen |
been
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van benen
- Ik been.
- gebiedende wijs van benen
- Been!
- (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van benen
- Been je?
Meer informatie
- Zie Wikipedia voor meer informatie.