bank

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken
[1]: Een bank.
[2]: Een bank.

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • bank
enkelvoud meervoud
naamwoord bank banken
verkleinwoord bankje bankjes

Zelfstandig naamwoord

bank v/m

  1. een meubelstuk met zitplaats voor meer dan één persoon
    Ze zaten op de bank naar de tv te kijken.
  2. (economie) een financiële instelling
    Vader was naar de bank om te praten over een lening.
  3. een ondiepte in het water
    De boot was op een bank vastgelopen.
  4. (bouwkunde) gebouw waarin een financiële instelling gevestigd is
  5. een opslagsysteem voor gegevens of voorwerpen b.v. beeldbank, bloedbank, boekenbank, kennisbank, spermabank
  6. harde aardlaag
  7. donkere laag of streep van wolken aan de horizon.
  8. werktafel b.v. draaibank etc.
Synoniemen
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Uitdrukkingen en gezegden
  • [1]: op de bank zitten
geen werkopdracht hebben
Overerving en ontlening
Vertalingen

Meer informatie


Deens

Uitspraak
Woordafbreking
  • bank
Woordherkomst en -opbouw
  • Ontleend aan het Duitse woord Bank (= bank, in de betekenis zitmeubel)
g
[A]
enkelvoud meervoud
onbepaald bepaald onbepaald bepaald
nominatief   bank     banken     banker     bankene  
genitief   banks     bankens     bankers     bankenes  

Zelfstandig naamwoord

bank g

  1. (economie) bank (financiële instelling)
  2. (bouwkunde) bank, bankgebouw
  3. (spel) bij bepaalde spelen de som van alle spelinzetten voor één spel, die de totale mogelijke winst uitmaakt
Hyperoniemen
Afgeleide begrippen
Verwante begrippen
Typische woordcombinaties
  • [1]: sidde på en bænk i en park
op een bankje in een park zitten
  • [1]: danske banken
Deense banken
  • [2]: gå i banken
in de bank gaan
  • [3]: sprænge banken
de gehele (rest van de) inzetten winnen
o
[B]
enkelvoud meervoud
onbepaald bepaald onbepaald bepaald
nominatief   bank     banket     bank     bankene  
genitief   banks     bankets     banks     bankenes  

Zelfstandig naamwoord

(B) bank o

  1. rammeling, ransel, een pak rammel, een pak ransel, een pak slag
  2. (sport) bestraffing (van een tegenstander)
  3. klop, slag
Synoniemen
Hyperoniemen
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Verwante begrippen

Zelfstandig naamwoord

bank, mv

  1. onbepaalde vorm nominatief meervoud van bank (betekenis [B])


Engels

Uitspraak
  • IPA: /bæŋk/

Zelfstandig naamwoord

bank

  1. oever van een rivier
  2. bank (financiële instelling)


Indonesisch

Woordherkomst en -opbouw

Zelfstandig naamwoord

bank

  1. bank (financiële instelling)


Limburgs

Uitspraak

Zelfstandig naamwoord

bank v

  1. (Hooglimburgs) bank (zitmeubel)
  2. (Hooglimburgs) bank (financiële instelling)
Verbuiging
Verwante begrippen


Noors

Uitspraak
Woordafbreking
  • bank
Woordherkomst en -opbouw
  • [A] Afkomstig van het Italiaanse zelfstandige naamwoord banco
  • [B] Afleiding van het Noorse zelfstandige naamwoord banke.
Naar frequentie 1314
m
[A] + [B]
enkelvoud meervoud
onbepaald bepaald onbepaald bepaald
nominatief   bank     banken     banker     bankene  
genitief   banks     bankens     bankers     bankenes  

Zelfstandig naamwoord

[A] bank m

  1. bank (financiële instelling)
  2. bank, bankgebouw
  3. bank, speelbank
  4. lager, reserve
Afgeleide begrippen

Zelfstandig naamwoord

[B] bank m

  1. kloppen
  2. ransel, slag rammel
Synoniemen
Afgeleide begrippen


Nynorsk

Uitspraak
Woordafbreking
  • bank
Woordherkomst en -opbouw
  • [A] Afkomstig van het Italiaanse zelfstandige naamwoord banco
  • [B] Afleiding van het Nynorske zelfstandige naamwoord banke.
m
[A] + [B]
enkelvoud meervoud
onbepaald bepaald onbepaald bepaald
nominatief   bank     banken     bankar     bankane  

Zelfstandig naamwoord

[A] bank m

  1. bank (financiële instelling)
  2. bank, bankgebouw
  3. bank, speelbank
  4. lager, reserve
Afgeleide begrippen

Zelfstandig naamwoord

[B] bank m

  1. kloppen
  2. ransel, slag rammel
Synoniemen
Afgeleide begrippen