bank

Uit WikiWoordenboek

Ga naar: navigatie, zoeken
[1] Een bank.
[2] Een bank.

Inhoud

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • bank
enkelvoud meervoud
naamwoord bank banken
verkleinwoord bankje bankjes

Zelfstandig naamwoord

bank v/m

  1. een meubelstuk met zitplaats voor meer dan één persoon.
    Ze zaten op de bank naar de tv te kijken.
  2. een financiële instelling.
    Vader was naar de bank om te praten over een lening.
  3. een ondiepte in het water.
    De boot was op een bank vastgelopen.
Synoniemen
Uitdrukkingen en gezegden

Op de bank zitten.

  • Geen werkopdracht hebben.
Vertalingen

Meer informatie


Engels

Uitspraak
  • IPA: /bæŋk/

Zelfstandig naamwoord

bank

  1. oever van een rivier.
  2. bank (financiële instelling).


Indonesisch

Woordherkomst en -opbouw

Zelfstandig naamwoord

bank

  1. bank (zitmeubel en financiële instelling)
Synoniemen


Limburgs

Uitspraak

Zelfstandig naamwoord

bank v

  1. (Hooglimburgs) bank (zitmeubel en financiële instelling).
Verbuiging
enkelvoud meervoud
geheel gemuteerd verkleind gemuteerd verkleind geheel gemuteerd verkleind gemuteerd verkleind
nominatief bank pank benkske penkske benk penk benkskes penkskes
genitief banks panks benkskes penkskes benk penk benkskes penkskes
locatief bankes pankes bankeske pankeske bankese pankese bankeskes pankeskes
datief bank pank benkske penkske benk penk benkskes penkskes
accusatief bank pank benkske penkske benk penk benkskes penkskes
Verwante begrippen
Persoonlijke instellingen