bankier

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • ban·kier
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord bankier bankiers
verkleinwoord bankiertje bankiertjes

Zelfstandig naamwoord

bankier m

  1. (beroep) iemand die financiële diensten verleent
    Oud-bankiers eisen indexatie pensioen (€500.000 tot €1 miljoen per ex-bankier) [2]
    Britse commissie wil roekeloze bankiers opsluiten.[3]
    Ierse centrale bankier geeft toe: crisis veroorzaakt door hebzucht [4]
Verwante begrippen
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Meer informatie

Werkwoord

vervoeging van
bankieren

bankier

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van bankieren
    Ik bankier.
  2. gebiedende wijs van bankieren
    Bankier!
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van bankieren
    Bankier je?
Verwijzingen
  1. etymologiebank.nl
  2. www.telegraaf.nl
  3. www.nu.nl
  4. www.nu.nl