zetel
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
Woordafbreking
- ze·tel
| enkelvoud | meervoud | |
|---|---|---|
| naamwoord | zetel | zetels |
| verkleinwoord | zeteltje | zeteltjes |
Zelfstandig naamwoord
zetel m
- zitplaats, meestal in een verheven zin van dat woord.
- De koning verhief zich van zijn zetel en sprak het gezelschap toe.
- lidmaatschap van een raad of vergadering, meestal met een beperkt aantal leden.
- Deze partij zal wel een paar zeteltjes in moeten leveren bij de verkiezingen.
- plaats waar een organisatie gevestigd is.
- De zetel van het Europese Hof is in Luxemburg.
Vertalingen
1. zitplaats, meestal in een verheven zin van dat woord
2. lidmaatschap van een raad of vergadering, meestal met een beperkt aantal leden
3. plaats waar een organisatie gevestigd is