zetel

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • ze·tel
enkelvoud meervoud
naamwoord zetel zetels
verkleinwoord zeteltje zeteltjes

Zelfstandig naamwoord

zetel m

  1. zitplaats, meestal in een verheven zin van dat woord
    De koning verhief zich van zijn zetel en sprak het gezelschap toe.
  2. lidmaatschap van een raad of vergadering, meestal met een beperkt aantal leden
    Deze partij zal wel een paar zeteltjes in moeten leveren bij de verkiezingen.
  3. plaats waar een organisatie gevestigd is
    De zetel van het Europese Hof is in Luxemburg.
Vertalingen

Werkwoord

vervoeging van
zetelen

zetel

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van zetelen
    Ik zetel.
  2. gebiedende wijs van zetelen
    Zetel!
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van zetelen
    Zetel je?