slag
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
Woordherkomst en -opbouw
Woordafbreking
- slag
| 1-3 | enkelvoud | meervoud |
|---|---|---|
| naamwoord | slag | slagen |
| verkleinwoord | slagje | slaagjes slagjes |
Zelfstandig naamwoord
| 4 | enkelvoud | meervoud |
|---|---|---|
| naamwoord | slag | - |
| verkleinwoord | - | - |
slag
- m militair treffen.
- Adolf van Nassau bleef in de slag
- m het opzettelijk doen belanden van een hand of een voorwerp op iemand.
- De slagen regenden neer op zijn gezicht.
- m figuurlijk: een pijnlijke of nadelige gebeurtenis.
- Hij kreeg slag op slag te verwerken, eerst stierf zijn vrouw, daarna zijn zoon.
- m (kaartspel) een aantal kaarten, van iedere speler gewoonlijk één, die door een bepaalde speler gewonnen worden.
- Door de lengte van zijn troefkaart wist hij nog twee slaagjes te winnen.
- o een soort of categorie, gewoonlijk van mensen.
- Mensen van zijn slag beginnen zeldzaam te worden.
Synoniemen
Vertalingen
1. militair treffen