slag

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • slag
Woordherkomst en -opbouw

[A]

1-3 enkelvoud meervoud
naamwoord slag slagen
verkleinwoord slagje slaagjes
slagjes

Zelfstandig naamwoord

slag

  1. m (militair) militair treffen
    Adolf van Nassau bleef in de slag.
  2. m het opzettelijk doen belanden van een hand of een voorwerp op iemand
    De slagen regenden neer op zijn gezicht.
  3. m (figuurlijk) een pijnlijke of nadelige gebeurtenis
    Hij kreeg slag op slag te verwerken, eerst stierf zijn vrouw, daarna zijn zoon.
  4. m (kaartspel) een aantal kaarten, van iedere speler gewoonlijk één, die door een bepaalde speler gewonnen worden
    Door de lengte van zijn troefkaart wist hij nog twee slaagjes te winnen.
Synoniemen
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Uitdrukkingen en gezegden
  • [2]: aan de slag gaan
beginnen
  • [2]: aan de slag kunnen
Vertalingen

[B]

4 enkelvoud meervoud
naamwoord slag -
verkleinwoord - -

Zelfstandig naamwoord

slag o

  1. een soort of categorie, gewoonlijk van mensen
    Mensen van zijn slag beginnen zeldzaam te worden.
Vertalingen