spel

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • spel
enkelvoud meervoud
naamwoord spel spelen, spellen
verkleinwoord spelletje spelletjes

Zelfstandig naamwoord

spel o

  1. een bezigheid ter ontspanning volgens vaste regels met elementen als competitie, behendigheid, inzicht en kans
    Hij speelde een spel op zijn gloednieuwe spelcomputer.
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Meer informatie

Werkwoord

vervoeging van
spellen

spel

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van spellen
    Ik spel.
  2. gebiedende wijs van spellen
    Spel!
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van spellen
    Spel je?


Nynorsk

Woordafbreking
  • spel

Werkwoord

spel

  1. gebiedende wijs van spela
Schrijfwijzen

Werkwoord

spel

  1. gebiedende wijs van spele
Schrijfwijzen

Zelfstandig naamwoord

spel, mv

  1. onbepaalde vorm nominatief meervoud van spel