ophopen

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Inhoud

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • op·ho·pen
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
ophopen
hoopte op
opgehoopt
zwak -t volledig

Werkwoord

ophopen

  1. (overgankelijk) op elkaar stapelen
    Het vuil was tot een bezwaarlijke hoeveelheid opgehoopt.
  2. (wederkerend) zich ~: een proces ondergaan waarbij iets zich verzamelt
Vertalingen
Persoonlijke instellingen
Naamruimten

Varianten
Handelingen
Navigatie
Informatie
Zusterprojecten
Hulpmiddelen
In andere talen