lager
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Woordafbreking
- la·ger
| 1 | enkelvoud | meervoud |
|---|---|---|
| naamwoord | lager | lagers |
| verkleinwoord | lagertje | lagertjes |
Zelfstandig naamwoord
| 2 | enkelvoud | meervoud |
|---|---|---|
| naamwoord | lager | - |
| verkleinwoord | - | - |
lager
- m en o (techniek) een constructie die er voor zorgt dat verschillende delen van die constructie beter ten opzichte van elkaar kunnen bewegen door het verlagen van de wrijving
- o (drinken) een ondergistende biersoort met een alcoholgehalte van 2,5%-3%
Synoniemen
- [1]: draagpot
Hyponiemen
- [1]: kogellager
Bijvoeglijk naamwoord
lager
- onverbogen vorm van de vergrotende trap van laag
Deens
Woordafbreking
- la·ger
Zelfstandig naamwoord
lager, mv
- onbepaalde vorm nominatief meervoud van lage
Noors
Woordafbreking
- la·ger
| Naar frequentie | 695 |
|---|
Werkwoord
lager
- tegenwoordige tijd van lage