ransel
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Woordafbreking
- ran·sel
Werkwoord
| vervoeging van |
|---|
| ranselen |
ransel
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van ranselen
- Ik ransel.
- gebiedende wijs van ranselen
- Ransel!
- (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van ranselen
- Ransel je?
| enkelvoud | meervoud | |
|---|---|---|
| naamwoord | ransel | ransels |
| verkleinwoord | ranseltje | ranseltjes |
Zelfstandig naamwoord
ransel m
- (kleding) een vierkant soort rugzak, zoals deze eertijds door soldaten gedragen werd
- Vandaag dragen veel studenten hun boeken in een moderne versie van de ransel.