kloppen

Uit WikiWoordenboek

Ga naar: navigatie, zoeken

Inhoud

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • klop·pen

Werkwoord

stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
kloppen
klopte
geklopt
zwak -t volledig

kloppen

  1. hoorbaar tegen of op iets slaan.
    Daar wordt op de deur geklopt.
  2. voel- of hoorbaar bewegen.
    Zijn hart klopt.
  3. in orde zijn, correct zijn.
    Dit resultaat klopt met onze verwachtingen.
  4. door slaan in een bepaalde toestand brengen.
    Slagroom kloppen.
  5. verslaan in een westrijd.
    Hij werd in de tweede ronde geklopt.
Vertalingen
Persoonlijke instellingen