kloppen
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
Woordafbreking
- klop·pen
| stamtijd | ||
|---|---|---|
| onbepaalde wijs |
verleden tijd |
voltooid deelwoord |
| kloppen |
klopte |
geklopt |
| zwak -t | volledig | |
Werkwoord
kloppen
- (inergatief) hoorbaar tegen of op iets slaan
- Daar wordt op de deur geklopt.
- (inergatief) voel- of hoorbaar bewegen
- Zijn hart klopt.
- in orde zijn, correct zijn
- Dit resultaat klopt met onze verwachtingen.
- (overgankelijk) door slaan in een bepaalde toestand brengen
- Slagroom kloppen.
- (overgankelijk) verslaan in een wedstrijd
- Hij werd in de tweede ronde geklopt.
Vertalingen
1. tegen iets slaan
2. hoorbaar bewegen
3. in overeenstemming zijn
4. in toestand brengen