beleggen

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Inhoud

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • be·leg·gen
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
beleggen
belegde
belegd
zwak -d volledig

Werkwoord

beleggen

  1. (overgankelijk) geld steken in een naar verwachting winstgevende onderneming of in waardepapieren
  2. (overgankelijk) (scheepvaart) een scheepstouw vastmaken, vastsjorren
  3. (overgankelijk) het toevoegen van (boter en) beleg aan een snee brood, zodat deze een boterham wordt (bedekken door er iets op te leggen)
  4. bijeenroepen, houden
    Ongeveer eens in de twee maanden wordt een vergadering belegd
Verwante begrippen
Vertalingen

Meer informatie

Persoonlijke instellingen
Naamruimten

Varianten
Handelingen
Navigatie
Informatie
Zusterprojecten
Hulpmiddelen
In andere talen