tram

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Jump to search
Een tram.


Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • tram
Woordherkomst en -opbouw
  • Leenwoord uit het Engels, in de betekenis van ‘openbaar vervoermiddel’ voor het eerst aangetroffen in 1884 [1] [2]
enkelvoud meervoud
naamwoord tram trams
trammen
verkleinwoord trammetje trammetjes

Zelfstandig naamwoord

tram m

  1. (verkeer) een railvoertuig dat meestal in steden voor personenvervoer gebruikt wordt
    • Trams rijden meestal door de straten, tussen het verkeer of op een vrije baan. 
Afgeleide begrippen
Verwante begrippen
Overerving en ontlening
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders
100 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen


Engels

enkelvoud meervoud
tram trams

Zelfstandig naamwoord

tram

  1. (verkeer) tram
Synoniemen


Frans

Uitspraak
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
zonder lidwoord met lidwoord zonder lidwoord met lidwoord
  tram     le tram     trams     les trams  

Zelfstandig naamwoord

tram m

  1. (verkeer) tram [1]

Verwijzingen


Indonesisch

Woordafbreking
  • tram

Zelfstandig naamwoord

tram

  1. schrijfwijze voor trem "tram"


Italiaans

Zelfstandig naamwoord

tram m

  1. (verkeer) tram


Papiamento

Zelfstandig naamwoord

tram

  1. (verkeer) tram