zeppelin

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • zep·pe·lin
Woordherkomst en -opbouw
  • Leenwoord uit het Duits, in de betekenis van ‘luchtschip’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1909 [1]
enkelvoud meervoud
naamwoord zeppelin zeppelins
verkleinwoord zeppelinnetje zeppelinnetjes

Zelfstandig naamwoord

zeppelin m

  1. (verkeer) luchtschip in de lucht gehouden door een groot volume waterstof of helium
    • Door de brand van de Hindenburg is de zeppelin in kwade reuk geraakt. 
Vertalingen

Gangbaarheid

97 % van de Nederlanders;
100 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen