regen

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Andere schrijfwijzen Niet te verwarren met: Regen
Regen.

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • re·gen
Woordherkomst en -opbouw
  • In de betekenis van ‘neerslag’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 901 [1]
enkelvoud meervoud
naamwoord regen regens
verkleinwoord regentje regentjes

Zelfstandig naamwoord

regen m

  1. (meteorologie) neerslag van tot druppels gecondenseerde waterdamp
    • Na deze lange droogte kunnen we best wat regen gebruiken. 
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Spreekwoorden
  • Na regen komt zonneschijn.
Je zult niet altijd pech hebben.
  • Regen in mei, dan is april voorbij.
De natuur kiest zelf welke volgorde ze aanhoudt.
  • Als het regent in Parijs, druppelt het in Brussel.
Nieuwigheden verschijnen eerst in Parijs, dan in Brussel.
Uitdrukkingen en gezegden
  • Van de regen in de drup.
Terwijl het ene probleem opgelost is, is er een nieuw probleem ontstaan, zodat de situatie per saldo niet verbeterd is.
Vertalingen

Werkwoord

vervoeging van
rijgen

regen

  1. meervoud verleden tijd van rijgen
    • Wij regen. 
    • Jullie regen. 
    • Zij regen. 
  2. gebiedende wijs van regenen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders
100 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen


Duits

Werkwoord

regen

  1. overgankelijk bewegen
    «Er regte seinen Finger.»
    Hij bewoog zijn vinger.
  2. wederkerend sich ~ zich bewegen
    «Er regte sich niet.»
    Hij bewoog zich niet.