regenboog

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Een regenboog.

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • re·gen·boog
Woordherkomst en -opbouw
  • In de betekenis van ‘boog aan de hemel’ voor het eerst aangetroffen in 1285 [1]
  • samenstelling van  regen   en  boog  
enkelvoud meervoud
naamwoord regenboog regenbogen
verkleinwoord regenboogje regenboogjes

Zelfstandig naamwoord

regenboog m

  1. een natuurfenomeen dat na regen als een verschijnende veelkleurige boog te zien is
    • Het uitzicht over het diepe dal was des te indrukwekkender omdat er een prachtige regenboog verscheen. 
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders
99 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen