regenpijp

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Regenpijp

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • re·gen·pijp
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord regenpijp regenpijpen
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

regenpijp v/m

  1. een verticale buis die aan een dakgoot is bevestigd en dient om het hemelwater dat op het dak valt, af te voeren
    • De oude zinken regenpijp lekte en is vervangen door een van pvc. 
Verwante begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
99 % van de Vlamingen.

Meer informatie