rijgen

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • rij·gen
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
rijgen
reeg
geregen
klasse 1 volledig

Werkwoord

rijgen

  1. (overgankelijk) met een naald een draad ergens doorvoeren
    Ze reeg eerst de zoom om te kunnen zien of deze op de juiste lengte was.
Afgeleide begrippen
Verwante begrippen
Vertalingen