regn

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Deens

Uitspraak
Woordafbreking
  • regn
Woordherkomst en -opbouw
  • Zelfstandig naamwoord: afkomstig van het Oudnoordse woord  regn zn 

Werkwoord

regn

  1. gebiedende wijs van regne

Zelfstandig naamwoord

regn, g, alleen enkelvoud

  1. (meteorologie) regen

Verwijzingen


Faeröers

  enkelvoud meervoud
onbepaald bepaald onbepaald bepaald
nominatief   regn     regnið     - - -     - - -  
genitief   regns     regnsins     - - -     - - -  
datief   regni     regninum     - - -     - - -  
accusatief   regn     regnið     - - -     - - -  

Zelfstandig naamwoord

regn, o, alleen enkelvoud

  1. (meteorologie) regen



IJslands

  enkelvoud meervoud
onbepaald bepaald onbepaald bepaald
nominatief   regn     regnið     - - -     - - -  
genitief   regns     regnsins     - - -     - - -  
datief   regni     regninu     - - -     - - -  
accusatief   regn     regnið     - - -     - - -  

Zelfstandig naamwoord

regn o, alleen enkelvoud

  1. (meteorologie) regen



Noors

Uitspraak
Woordafbreking
  • regn
Woordherkomst en -opbouw
  • Zelfstandig naamwoord: afkomstig van het Oudnoordse woord  regn zn 
Naar frequentie 2471

Werkwoord

regn

  1. zwakke verbuiging gebiedende wijs van regne
[1] enkelvoud meervoud
onbepaald bepaald onbepaald bepaald
nominatief   regn     regnet     - - -     - - -  
genitief   regns     regnets     - - -     - - -  
[2] enkelvoud meervoud
onbepaald bepaald onbepaald bepaald
nominatief   regn     regnet     regn     regna
regnene  
genitief   regns     regnets     regns     regnas
regnenes  

Zelfstandig naamwoord

regn, o

  1. alleen enkelvoud, (meteorologie) regen
    «Regnet silte ned.»
    De regen viel neer.
  2. (figuurlijk)regen (vele stromende of vliegende objecten; wordt meestal gebruikt in woordsamenstellingen)
    «Umiddelbart etterpå fulgte angrep nummer to med nytt bomberegn over og i nærheten av de antente hus og nye fulltreffere på andre hus.»
    Direct daarna volgde de tweede aanval met nieuwe bomregen over en bij de brandende huizen en nieuwe treffers op andere huizen.
Afgeleide begrippen
Uitdrukkingen en gezegden
  • [2]: et regn av gnister
een vonkenregen

Zelfstandig naamwoord

regn

  1. bepaald onzijdig meervoud van regn


Nynorsk

Uitspraak
Woordafbreking
  • regn
Woordherkomst en -opbouw
  • Zelfstandig naamwoord: afkomstig van het Oudnoordse woord  regn zn 

Werkwoord

regn

  1. zwakke verbuiging gebiedende wijs van regna
Schrijfwijzen

Werkwoord

regn

  1. zwakke verbuiging gebiedende wijs van regne
Schrijfwijzen
[1] enkelvoud meervoud
onbepaald bepaald onbepaald bepaald
nominatief   regn     regnet     - - -     - - -  
[2] enkelvoud meervoud
onbepaald bepaald onbepaald bepaald
nominatief   regn     regnet     regn     regna  

Zelfstandig naamwoord

regn, o

  1. alleen enkelvoud, (meteorologie) regen
    «Regnet sila ned.»
    De regen viel neer.
  2. (figuurlijk) regen (vele stromende of vliegende objecten; wordt meestal gebruikt in woordsamenstellingen)
Afgeleide begrippen
Uitdrukkingen en gezegden
  • [2]: et regn av gnister
een vonkenregen

Zelfstandig naamwoord

regn

  1. bepaald onzijdig meervoud van regn


Zweeds

Uitspraak
[1] enkelvoud meervoud
onbepaald bepaald onbepaald bepaald
nominatief   regn     regnet     - - -     - - -  
genitief   regns     regnets     - - -     - - -  
[2] enkelvoud meervoud
onbepaald bepaald onbepaald bepaald
nominatief   regn     regnet     regn     regnen  
genitief   regns     regnets     regns     regnens  

Zelfstandig naamwoord

regn, o

  1. alleen enkelvoud, (meteorologie) regen
  2. (meteorologie) regenbui

Zelfstandig naamwoord

regn

  1. bepaald onzijdig meervoud van regn