regenbui

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • re·gen·bui
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord regenbui regenbuien
verkleinwoord regenbuitje regenbuitjes

Zelfstandig naamwoord

regenbui v/m

  1. (meteorologie) een tijdelijke periode van regen ten gevolge van het overtrekken van een wolkenveld
    • De tuin kon wel een regenbuitje gebruiken. 
    • Ik trok mijn handen van de toetsen af en keek naar Cloë. Haar gezichtje werd rood en alsof er iets achter haar ogen knapte, sprongen er tranen uit. In één tel veranderde haar gezicht in een regenbui. [1] 
Hyponiemen
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
100 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen

  1. Sandes, David De wondermethode 2006 ISBN 9044509543 pagina 237