kaap

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • kaap
Woordherkomst en -opbouw
  • Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘landtong’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1567 [1]
enkelvoud meervoud
naamwoord kaap kapen
verkleinwoord kaapje kaapjes

Zelfstandig naamwoord

kaap v/m

  1. (aardrijkskunde) een in zee vooruitstekende landpunt.
  2. (Vlaams) belangrijk moment, mijlpaal.
  3. (scheepvaart) van oudsher een baken gebruikt door de scheepvaart met een kenmerkende vorm, opgetrokken uit hout of metaal.
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Werkwoord

vervoeging van
kapen

kaap

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van kapen
    • Ik kaap. 
  2. gebiedende wijs van kapen
    • Kaap! 
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van kapen
    • Kaap je? 

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders;
97 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen


Afrikaans

Uitspraak
enkelvoud meervoud
naamwoord kaap kape

Zelfstandig naamwoord

kaap

  1. kaap