kaap

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • kaap
enkelvoud meervoud
naamwoord kaap kapen
verkleinwoord kaapje kaapjes

Zelfstandig naamwoord

kaap v/m

  1. (aardrijkskunde) een in zee vooruitstekende landpunt.
  2. (Vlaams) belangrijk moment, mijlpaal.
  3. (scheepvaart) van oudsher een baken gebruikt door de scheepvaart met een kenmerkende vorm, opgetrokken uit hout of metaal.
Vertalingen

Werkwoord

vervoeging van
kapen

kaap

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van kapen
    Ik kaap.
  2. gebiedende wijs van kapen
    Kaap!
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van kapen
    Kaap je?

Meer informatie


Afrikaans

enkelvoud meervoud
naamwoord kaap kape

Zelfstandig naamwoord

kaap

  1. kaap