krijgen

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • krij·gen
Woordherkomst en -opbouw
  • In de betekenis van ‘verwerven’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1265 [1]
  • Uit Middelnederlands crīghen ‘zich begeven naar; zich inspannen, streven; twisten, strijden; oorlog voeren’, ontwikkeld uit Oergermaans *krīgan-. Men vergelijkt Oudiers bríg ‘kracht, macht’ en Oudgrieks hýbris (ὕβρις) ‘overmoed’, die men terugvoert op de Indo-Europese wortel *gʷrih₂-.[2] Evenals Nederduits kriegen en Fries krije.
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
krijgen
/'krɛɪ.ɣə(n)/
kreeg
/'krex/
gekregen
/ɣə'kre.ɣə(n)/
klasse 1 volledig

Werkwoord

krijgen

  1. overgankelijk verwerven, ontvangen
    • Hij krijgt een boek. 
  2. overgankelijk een ziekte oplopen
    • Vlak voor het examen kreeg hij griep. 
  3. hulpwerkwoord maakt met behulp van een meewerkend voorwerp een pseudo-passieve constructie
    • Zij reikten een prijs uit aan de artiest. Hij kreeg een prijs uitgereikt. 
Opmerkingen
  • Hoewel het werkwoord een lijdend voorwerp draagt, ontbreken lijdende vormen geheel. Voor een lijdende constructie wordt meestal verkrijgen gebruikt.
Hyponiemen
Uitdrukkingen en gezegden
Vertalingen

Zelfstandig naamwoord

krijgen mv

  1. meervoud van het zelfstandig naamwoord krijg

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders;
100 % van de Vlamingen.

Verwijzingen