kapseizen

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • kap·sei·zen
Woordherkomst en -opbouw
  • Leenwoord uit het Engels, in de betekenis van ‘omslaan’ voor het eerst aangetroffen in 1856 [1]
  • [2]
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
kapseizen
kapseisde
gekapseisd
zwak -d volledig

Werkwoord

kapseizen

  1. ergatief, (scheepvaart) ondersteboven komen liggen
    • Door de zware storm kapseisde het schip. 
Synoniemen
Synoniemen
Vertalingen

Gangbaarheid

97 % van de Nederlanders;
98 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen