zotskap

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Tekening van een man met zotskap

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • zots·kap
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord zotskap zotskappen
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

zotskap v/m [1]

  1. hoofddeksel van een nar
  2. het iemand belachelijk maken
    • Kranten wereldwijd hebben inderdaad een voorkeur voor ‘actiefoto’s’, niet-geposeerde foto’s waarop de politicus afgebeeld wordt in het vuur van het moment. Die foto’s zijn natuurlijker, echter dan de propere campagnefoto’s die politici zelf de wereld insturen. Soms zit er daar een komische tussen, ja. Het gaat tenslotte om machtig volk. Daar mag al eens een zotskap overheen. Maar dat er een systematische politiek is om sommige politici minder flatterend af te beelden dan andere, afhankelijk van de persoonlijke voorkeur van de journalisten lijkt mij een erg moeilijk bewijsbare hypothese. [2] 
  3. martelwerktuig dat de schedel ineen drukt
    • Als komische entr'acte gebruiken we een grappig mutsje. Toeristen houden daarvan. Ze dossen zich graag bespottelijk uit in den vreemde. Deze zotskap van staal wordt wel de hoofdbreker genoemd, wat een toepasselijke naam genoemd kan worden vanwege het effect, al is hij minder toepasselijk met het oog op het delict, dat erin bestaat dat de toerist zich werkelijk nergens het hoofd over breekt, zelfs niet over de vraag waar hij is. [3] 
Synoniemen
Anagrammen
Vertalingen

Gangbaarheid

39 % van de Nederlanders;
78 % van de Vlamingen.

Verwijzingen

  1. Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
  2. De Standaard 25/02/2016 om 03:00 door Tom Naegels De theorie van de OLF
  3. Pfeiffer, Ilja Leonard "Grand Hotel Europa" 2018 ISBN 978-90-295-2622-7 pagina 407