muts

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
[1] Een man met een muts.

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • muts
Woordherkomst en -opbouw
  • Leenwoord uit het me Latijn, in de betekenis van ‘hoofddeksel’ voor het eerst aangetroffen in 1373 [1]
  • [2]
enkelvoud meervoud
naamwoord muts mutsen
verkleinwoord mutsje mutsjes

Zelfstandig naamwoord

muts v

  1. (kleding) hoofddeksel van textiel zonder harde rand
    • Zet je muts op! Het vriest buiten. 
  2. netmaag, één van de vier magen van herkauwers
  3. de volkse naam voor vagina
  4. (scheldwoord) een scheldwoord voor een vrouw ('trut')
    • Die bemoeizuchtige, oude muts moest ook een voornaam hebben, maar zij had hem nog nooit gehoord. [3]
  5. een onhandige of domme vrouw
    • Dat ik de grootste muts van de hele school ben is al erg genoeg.  [4]
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders
99 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen