muts

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
[1] Een man met een muts.

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • muts
Woordherkomst en -opbouw
  • Leenwoord uit het me Latijn, in de betekenis van ‘hoofddeksel’ voor het eerst aangetroffen in 1373 [1]
  • [2]
enkelvoud meervoud
naamwoord muts mutsen
verkleinwoord mutsje mutsjes

Zelfstandig naamwoord

muts v

  1. (kleding) hoofddeksel van textiel zonder harde rand
    • Zet je muts op! Het vriest buiten. 
    • Zo'n 96 procent van alle klussen is inmiddels ingevuld. Het gaat dus om ‘de laatste wapperende handen’, laat Van der Herberg weten. Ook kan de stichting nog nieuwe, zachte handdoeken gebruiken. Mooi verpakt met een touwtje of strikje eromheen. Die worden dan meegegeven in de pakketten. Vorig jaar ging het om gebreide mutsen en sjaals. Een ‘warm extraatje’, bij de levensmiddelen. [3] 
  2. netmaag, één van de vier magen van herkauwers
  3. volkse naam voor vagina
  4. (scheldwoord) een scheldwoord voor een vrouw ('trut')
    • Die bemoeizuchtige, oude muts moest ook een voornaam hebben, maar zij had hem nog nooit gehoord. [4]
  5. een onhandige of domme vrouw
    • Dat ik de grootste muts van de hele school ben is al erg genoeg.  [5]
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
99 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen