muts

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken
[1] Een man met een muts.

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • muts
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord muts mutsen
verkleinwoord mutsje mutsjes

Zelfstandig naamwoord

muts v

  1. (kleding) hoofddeksel van textiel zonder harde rand
    • Zet je muts op! Het vriest buiten. 
  2. netmaag, één van de vier magen van herkauwers
  3. de volkse naam voor vagina
  4. (scheldwoord) een scheldwoord voor een vrouw ('trut')
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders
99 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen