grens

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • grens
Woordherkomst en -opbouw
  • Leenwoord uit het Nederduits, in de betekenis van ‘scheidingslijn’ voor het eerst aangetroffen in 1573 [1]
  • Via het Duitse Grenze van het Poolse granica.
enkelvoud meervoud
naamwoord grens grenzen
verkleinwoord grensje grensjes

Zelfstandig naamwoord

grens v/m

  1. een al dan niet denkbeeldige scheidingslijn
    • . De grens tussen twee stroomgebieden. 
  2. de raaklijn tussen twee landen
    • Als we geluk hebben kunnen we morgen de Poolse grens bereiken. 
  3. (figuurlijk) uiterste mate (bijv. waarin men zich iets kan veroorloven)
    • Met deze acties is wat mij betreft de grens bereikt. 
     Zijn er dan toch grenzen aan het sadisme? Wie het haalt tot de laatste bocht naar links, weet het antwoord. Daar ligt weliswaar weer wat asfalt, maar het is een onvervalste muur: 24 procent. Het is hier dat la belle fille op haar fiets om hulp van boven smeekt.[2]
Synoniemen
Antoniemen
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Werkwoord

vervoeging van
grenzen

grens

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van grenzen
    • Ik grens. 
  2. gebiedende wijs van grenzen
    • Grens! 
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van grenzen
    • Grens je? 

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
100 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen