boomgrens

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • boom·grens
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord boomgrens boomgrenzen
verkleinwoord boomgrensje boomgrensjes

Zelfstandig naamwoord

boomgrens v/m

  1. een grens waarboven geen bomen meer groeien
    • Zij was nu zo hoog gekomen dat ze onbeschut in de wind stond, ver boven de boomgrens. 
Vertalingen

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders;
93 % van de Vlamingen.

Meer informatie