Naar inhoud springen

grenzen

Uit WikiWoordenboek
  • gren·zen
  •  grens zn  met de uitgang -en, waarbij de slotmedeklinker weer stemhebbend wordt

degrenzenmv

  1. meervoud van het zelfstandig naamwoord grens
     In haar wereld worden grenzen met voeten getreden en dat lijkt ze nauwelijks te beseffen.[1]
     Waarom werd ik gesommeerd door de tuchtraad, terwijl zo'n druistige regisseursman, die alle grenzen aan zijn laars lapt, gewoon vrijuit gaat? Ik zucht onwillekeurig.[1]
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
grenzen
grensde
gegrensd
zwak -d volledig

grenzen

  1. absoluut ~ aan als aansluitende buur hebben
    • Luxemburg grenst aan België, Frankrijk en Duitsland. 
99 %van de Nederlanders;
99 %van de Vlamingen.[2]
  1. 1 2
    Marion Pauw e.a.
    “4 wandelaars en een Siciliaan” (2022), The House of Books, ISBN 9789044363340
  2. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Door archive.org gearchiveerde versie van 21 oktober 2019 “Word Prevalence Values” op ugent.be
stamtijd
infinitief verleden
tijd
voltooid
deelwoord
grenzen
grenzte
gegrenzt
volledig

grenzen

  1. grenzen