grenzen

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • gren·zen

Zelfstandig naamwoord

grenzen mv

  1. meervoud van het zelfstandig naamwoord grens
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
grenzen
grensde
gegrensd
zwak -d volledig

Werkwoord

grenzen

  1. (inergatief) ~ aan als aansluitende buur hebben
    Luxemburg grenst aan België, Frankrijk en Duitsland.
Vertalingen


Duits

stamtijd
infinitief verleden
tijd
voltooid
deelwoord
grenzen
grenzte
gegrenzt
volledig

Werkwoord

grenzen

  1. grenzen