bloem

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken
[1] Een bloem.
[2] Bloem.

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • bloem
Woordherkomst en -opbouw
  • afkomstig van:
Middelnederlands: bloeme
Oudnederlands: bluomo
Germaans: *blōmô
  • Verwant in Germaans:
West: Angelsaksisch: blōma, Duits: Blume, (Oudhoogduits: bluomo), Fries: blom (Oudfries: blōma)
Noord: Nynorsk: blome, Oudnoors: blómi, IJslands/Faeröers: blómi
Oost: Gotisch: blōma
1 enkelvoud meervoud
naamwoord bloem bloemen
verkleinwoord bloempje
bloemetje
bloempjes
bloemetjes
2 enkelvoud meervoud
naamwoord bloem -
verkleinwoord - -

Zelfstandig naamwoord

bloem v/m

  1. (plantkunde) een deel van plant met zaden
    Jongens, pas op dat jullie de bloempjes niet vertrappen!
  2. fijngemalen poeder, meestal van granen
    Voor het recept was bloem nodig.
  3. het beste deel van
    Dit gedicht staat in alle bloemlezingen.
    De studenten zijn de bloem van de natie.
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Uitdrukkingen en gezegden
  • [1]: iemand in de bloemetjes zetten
Vertalingen

Werkwoord

vervoeging van
bloemen

bloem

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van bloemen
    Ik bloem.
  2. gebiedende wijs van bloemen
    Bloem!
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van bloemen
    Bloem je?

Meer informatie