bloed

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
bloed

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • bloed
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord bloed bloeden
verkleinwoord bloedje bloedjes

Zelfstandig naamwoord

bloed o

  1. lichaamsvocht dat rondstroomt in de slagaderen en aderen ter verspreiding van zuurstof en andere voor de levensprocessen onontbeerlijke stoffen
    • Het bloed vervoert zuurstof van de longen naar de lichaamscellen. 
     Het bloed in mijn aderen is ontdaan van warmte en wordt tegen de zin van mijn geest rondgepompt.[5]
  2. (enkel als verkleinwoord: bloedjes) in bloedjes van kinderen: kinderen van mijn eigen vlees en bloed
  3. (enkel als datief: bloede) in in koelen bloede, van den bloede en van koninklijken bloede
  4. sukkel
  5. versterkend voorvoegsel heel erg, als eerste deel in samenstellingen dat de heftigheid van het tweede deel benadrukt
    • zij was bloedjong, bloedmooi maar helaas ook bloedarm 
Synoniemen
Verwante begrippen
Hyponiemen
Uitdrukkingen en gezegden
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Werkwoord

vervoeging van
bloeden

bloed

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van bloeden
    • Ik bloed. 
  2. gebiedende wijs van bloeden
    • Bloed! 
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van bloeden
    • Bloed je? 

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
100 % van de Vlamingen.[6]

Meer informatie

Verwijzingen