Naar inhoud springen

volbloed

Uit WikiWoordenboek
  • vol·bloed
enkelvoud meervoud
naamwoord volbloed volbloeden
verkleinwoord volbloedje volbloedjes

devolbloedm

  1. paard van een zuiver ras
    • Het paard van de buren was een volbloed. 
stellend
onverbogen volbloed
verbogen

volbloed

  1. van een zuiver ras zijn, van een onvermengd ras
    • Het volbloed paard werd verkocht. 
  2. (figuurlijk) geeft aan dat een persoon in hoge mate de eigenschappen bezit die kenmerkend zijn voor het daaropvolgende zelfstandige naamwoord
    • Hij is een volbloed ondernemer. 
100 %van de Nederlanders;
98 %van de Vlamingen.[3]