volbloed

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • vol·bloed
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord volbloed volbloeden
verkleinwoord volbloedje volbloedjes

Zelfstandig naamwoord

volbloed m

  1. van een zuiver ras
    • Het paard van de buren was een volbloed. 
Afgeleide begrippen
stellend
onverbogen volbloed
verbogen

Bijvoeglijk naamwoord

volbloed

  1. van een zuiver ras zijn, van een onvermengd ras
    • Het volbloed paard werd verkocht. 

Verwijzingen

Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
99 % van de Vlamingen.

Meer informatie