time

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Inhoud

Engels

Zelfstandig naamwoord

time

  1. tijd
  2. keer, maal


Noors

Uitspraak
Woordafbreking
  • ti·me
Woordherkomst en -opbouw
  • Afkomstig van het Oudnoorse woord tími.
stamtijd
onbepaalde
wijs
tegenwoordige
tijd
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
time
timer
timet
tima
timet
tima
Klasse 1 zwak

Werkwoord

time

  1. synchroniseren (op dezelfde tijd instellen als iets anders)
  2. timen (een tijdschema voor een feest of event opstellen)
    «Arrangementet var godt timet
    Het evenement was goed getimed.
Schrijfwijzen

Zelfstandig naamwoord

time m

  1. (natuurkunde) uur
    «Folkemengden har stått i kulda i flere timer, enkelte er her for sjette dagen på rad.»
    Het volk heeft een aantal uren in de kou gestaan; sommigen zijn hier voor de zesde dag op rij.
  2. lesuur
    «I skolen varer en time 40 eller 45 minutter.»
    In school duurt een lesuur 40 of 45 minuten.
  3. een meer onbepaalde tijd, zoals een tussenuur of snipperuur.
    «Jeg trodde min siste time var kommet.»
    Ik dacht dat mijn laatste uur had geslagen.
Verbuiging
Synoniemen
Hyperoniemen


Nynorsk

Uitspraak
  • Geluid: Bestand bestaat nog niet. Aanmaken?
  • IPA: /ˡtiːmə/
  • (werkwoord: betekenis "synchroniseren, timen") IPA: /ˈtaime/
Woordafbreking
  • ti·me
Woordherkomst en -opbouw
  • (Werkwoord [A]) afkomstig van het Oudnoorse woord tími.
  • (Werkwoord [B]) misschien vervorming van kime naar time.
  • (Naamwoord) afkomstig van het Oudnoorse woord tími.
stamtijd
onbepaalde
wijs
tegenwoordige
tijd
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
time
timar
tima
tima
Klasse 1 zwak [A]

Werkwoord

[A] time

  1. synchroniseren (op dezelfde tijd instellen als iets anders)
  2. timen (een tijdschema voor een feest of event opstellen)
    «Arrangementet var godt timet
    Het evenement was goed getimed.
Schrijfwijzen
stamtijd
onbepaalde
wijs
tegenwoordige
tijd
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
time
timer
timde
(bijvorm) timte
timt
(bijvorm) timd
Klasse 2 zwak [B] + [C]

Werkwoord

[B] time

  1. zin hebben, zich gunnen, zich veroorloven kunnen.
    «Han timde ikkje ete.»
    Hij had geen zin om te eten.
  2. lijden, plagen, vreten aan, teren
    «Kva er det som timer deg?»
    Wat is het dat aan je vreet?
Synoniemen

Werkwoord

[C] time

  1. luiden, inluiden
Synoniemen

Zelfstandig naamwoord

time m

  1. (natuurkunde) uur
  2. lesuur
  3. een meer onbepaalde tijd, zoals een tussenuur of snipperuur.
Verbuiging
Synoniemen
Hyperoniemen
Persoonlijke instellingen
Naamruimten

Varianten
Handelingen
Navigatie
Informatie
Zusterprojecten
Hulpmiddelen
In andere talen