lopen

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • lo·pen
Woordherkomst en -opbouw
  • afkomstig van:
Middelnederlands: lopen
Oudnederlands: lōpan
Germaans: *hlaupanan
Indo-Europees: *klAub-
  • Verwant in Germaans:
West: Engels: leap (Angelsaksisch: hlēapan), Duits: laufen, (Oudhoogduits: loufan), Fries: ljeppe (Oudfries: hlāpa)
Noord: Zweeds: löpa, Deens: løbe, Noors: løpe, (Nynorsk: laupa, Oudnoors: hlaupa), IJslands: hlaupa, Faeröers: leypa
Oost: Gotisch: hlaupan
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
lopen
liep
gelopen
klasse 7 volledig

Werkwoord

lopen

  1. (Noord-Nederlands) (ergatief) stappen, gaan
    Lopen naar het stadhuis is sneller dan met de auto.
  2. (Zuid-Nederlands) (ergatief) rennen
    Je zal moeten lopen als je de trein nog wil halen.
  3. (Noord-Nederlands) (inergatief) stappen, gaan
    Hij heeft gisteren een heel stuk gelopen.
    Er wordt daar niet veel gelopen.
  4. (Zuid-Nederlands) (inergatief) rennen
    Hij heeft gisteren tien kilometer gelopen.
  5. (ergatief) voortgang maken
    De zaken lopen erg goed.
  6. (ergatief) vloeien of stromen
    Het water loopt in mijn kleren.
  7. (hulpwerkwoord) ~ te: duratief hulpwerkwoord, iets doen terwijl men loopt
    Ach, loop niet zo te zeuren, man!
    Hij heeft de krant lopen rondbrengen.
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Uitdrukkingen en gezegden
  • [1-2] Tegen de lamp lopen.
  • [5] Het kwik loopt op.
  • [5] Uit de hand lopen.
Opmerkingen
  1. In Nederland heeft dit woord de connotatie van stappen of gaan. Voor zich snel verplaatsen met de benen gebruikt men eerder rennen.
  2. In België heeft dit woord de connotatie van rennen. Voor zich traag voortbewegen met de benen gebruikt men eerder gaan of stappen.
  3. [7] In samengestelde tijden vervalt te.
Verwante begrippen
Vertalingen

Meer informatie

Zelfstandig naamwoord

lopen mv

  1. meervoud van het zelfstandig naamwoord loop