lopen
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
Woordafbreking
- lo·pen
Woordherkomst en -opbouw
|
|
| stamtijd | ||
|---|---|---|
| onbepaalde wijs |
verleden tijd |
voltooid deelwoord |
| lopen |
liep |
gelopen |
| klasse 7 | volledig | |
Werkwoord
lopen
- (Noord-Nederlands) (ergatief) stappen, gaan
- Lopen naar het stadhuis is sneller dan met de auto.
- (Zuid-Nederlands) (ergatief) rennen
- Je zal moeten lopen als je de trein nog wil halen.
- (Noord-Nederlands) (inergatief) stappen, gaan
- Hij heeft gisteren een heel stuk gelopen.
- Er wordt daar niet veel gelopen.
- (Zuid-Nederlands) (inergatief) rennen
- Hij heeft gisteren tien kilometer gelopen.
- (ergatief) voortgang maken
- De zaken lopen erg goed.
- (ergatief) vloeien of stromen
- Het water loopt in mijn kleren.
- (hulpwerkwoord) ~ te: duratief hulpwerkwoord, iets doen terwijl men loopt
- Ach, loop niet zo te zeuren, man!
- Hij heeft de krant lopen rondbrengen.
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Uitdrukkingen en gezegden
- [1-2] Tegen de lamp lopen.
- [5] Het kwik loopt op.
- [5] Uit de hand lopen.
Opmerkingen
- In Nederland heeft dit woord de connotatie van stappen of gaan. Voor zich snel verplaatsen met de benen gebruikt men eerder rennen.
- In België heeft dit woord de connotatie van rennen. Voor zich traag voortbewegen met de benen gebruikt men eerder gaan of stappen.
- [7] In samengestelde tijden vervalt te.
Verwante begrippen
Afhankelijk van de omstandigheden en de snelheid wordt lopen anders genoemd:
|
|
Vertalingen
1. stappen, gaan
|
|
Het kwik loopt op.
|
tegen de lamp lopen
|
uit de hand lopen
Meer informatie
- Zie Wikipedia voor meer informatie.
Zelfstandig naamwoord
lopen mv
- meervoud van het zelfstandig naamwoord loop